Kees van Gageldonk

Lectoraten en de ontwikkeling van het binaire systeem in het hoger onderwijs in Nederland

Het hoger beroepsonderwijs in Nederland is sinds 1971 drastisch van aanzien veranderd, van een verzameling van ruim 450 veelal kleine instellingen tot een groep van minder dan 40 hogescholen, waarvan sommigen meer dan 25.000 studenten hebben. Deze hogescholen vormen samen met de universiteiten het hoger onderwijs in Nederland. De tweedeling in universiteiten en hogescholen wordt het binaire systeem in het hoger onderwijs genoemd. Ook andere landen kennen of kenden een binair systeem.
In Nederland is het binaire systeem sinds 1971 regelmatig ter discussie gesteld, maar tot op heden steeds gehandhaafd. In landen als Groot Brittannië en Australië is de ontwikkeling anders geweest en zijn hogescholen omgevormd tot universiteiten of met bestaande universiteiten gefuseerd. In de jaren voorafgaand aan de invoering van lectoraten (2001) was er feitelijk zelfs een verbod op fusies tussen universiteiten en hogescholen. De sinds 2001 bestaande lectoraten geven in hogescholen de relatie vorm tussen onderzoek, onderwijs en beroepspraktijk. Het ontstaan van lectoraten kan deels worden bezien vanuit ontwikkelingen binnen het hbo, maar kan ook worden bezien tegen de achtergrond van het feit dat het binaire systeem in Nederland gehandhaafd bleef.


Mijn promotieonderzoek richt zich op een historische analyse van de ontwikkeling van het binaire systeem van hoger onderwijs vanuit het perspectief van het hoger beroepsonderwijs sinds 1971. Daarbij ligt de nadruk op twee thema’s: (1) de ontwikkeling van het denken in Nederland over het binaire systeem in relatie tot wat er op dat terrein in het buitenland gebeurde en (2) de ontwikkeling van het onderzoek aan hogescholen De schaalvergroting kreeg in de jaren 90 van de twintigste eeuw voor een groot deel zijn beslag terwijl er tegelijkertijd bezuinigingen werden doorgevoerd, die leidden tot een lagere bekostiging per student en tot een onderwijsextensivering. Er kwam meer nadruk op zelfwerkzaamheid van studenten, waarbij de rol van de docent veranderde. De vorming van hogescholen leidde er toe dat de hogescholen in een aantal opzichten meer gingen lijken op universiteiten, maar op het gebied van onderzoek werd de afstand juist groter. Wat er aan onderzoek was op hogescholen bestond voornamelijk uit contractonderzoek, terwijl aan universiteiten steeds mee onderzoek werd gedaan dat aan internationale maatstaven werd beoordeeld. Ook de kwalificaties van de docenten liepen steeds meer uit elkaar. Het werd vrijwel onmogelijk om nog tot universitair docent te worden benoemd zonder te zijn gepromoveerd, terwijl bij hogescholen het percentage gepromoveerde docenten minder dan 5% was. Beide thema’s komen samen aan het eind van deze periode, vanaf 1999, toen het concept van de lector ontstond.

Prof. dr. Willem Otterspeer

Prof. dr. Willem Otterspeer

De onderzoeksvraag is: onder welke omstandigheden en met welke doelstellingen is het concept van de lector ontstaan en wie speelden daarin een belangrijke rol? En, hoe verliep het proces van invoering en wie speelden daarin een belangrijke rol? De hypothese is dat het ontstaan van het concept van lectoraten kan worden geplaatst tegen de achtergrond van de veranderingen in de positie van hbo-docenten, de ontwikkeling van het onderzoek aan hogescholen en het bredere kader van het binaire systeem. Mijn promotor is prof.dr. Willem Otterspeer, hoogleraar universiteitsgeschiedenis aan de Universiteit Leiden.


Vanaf 1 november 2010 ben ik twee dagen in de week werkzaam als secretaris van de Stichting Kennisontwikkeling Hbo (SKO) die van 2001 tot 2009 de invoering van lectoraten heeft gedaan. Daarvoor was ik werkzaam bij de HBO-raad en het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Ik ben in 1971 aan de Universiteit Leiden afgestudeerd als historicus.

Contact

E-mail:cvangageldonk@denhaag.leidenuniv.nl
Telefoon: 06 5151 1214

 
Laatst Gewijzigd: 29-10-2012